Van ambtenaren tot scholieren: Huis van het Nederlands bedient fors meer Brusselaars

Het Nederlandstalig onderwijs in Brussel is 'een echt succesverhaal', zo zei minister van Openbaar Ambt en Nederlandstalig Onderwijs Dirk De Smedt (Anders) dinsdag nog in de raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Maar het succes geldt niet alleen voor scholieren, die goed zijn voor zo'n 24 procent van de schoolbanken, ook volwassenen volgen steeds vaker Nederlandse les.
Denk bijvoorbeeld aan ambtenaren, die steeds vaker Nederlands leren onder invloed van het Masterplan Tweetaligheid van het Brusselse Gewest. De komende jaren verwacht het Huis van het Nederlands ook meer ouders, dankzij de verstrenging van de voorrangseisen in het Nederlandstalig onderwijs vanaf het schooljaar 2027-2028.
We spreken erover met Patrick Manghelinckx, directeur van het Huis van het Nederlands, dat mensen info geeft over taalcursussen. Hij vertelt over de stijging van het aantal inschrijvingen en wat er nodig is om nieuwe doelgroepen nog beter te ondersteunen bij het leren van Nederlands in Brussel.
Ouders van kinderen in het Nederlandstalig onderwijs, mensen die Nederlands nodig hebben voor een baan … Er lijkt de laatste jaren méér interesse te zijn in de taal. Hoe vertaalt zich dat in jullie recentste cijfers?
Manghelinckx: "We zien duidelijk meer bezoekers, vooral de laatste maanden. Sinds deze zomer zagen we veel meer mensen tijdens de vrije inloopmomenten, waar mensen informatie krijgen over het leren van Nederlands. Van half augustus tot eind september ontvingen we ongeveer 5.000 mensen, tegenover 3.000 in dezelfde periode vorig jaar, dat is bijna 70 procent meer."
Tot begin oktober registreerden we in totaal 15.380 bezoeken en schreven 7.471 mensen zich in voor Nederlandse lessen. We rekenen tegen het einde van het jaar op 18.000 bezoekers, tegenover 13.500 in 2025. Ook het aantal inschrijvingen voor Nederlandse lessen zal tegen het einde van het jaar naar verwachting toenemen met zo'n 2.000 inschrijvingen."
Waarom schrijft maar de helft van de bezoekers zich uiteindelijk in voor een cursus?
Manghelinckx: "Mensen komen soms binnen met een heel duidelijke motivatie: ze willen Nederlands leren. Maar ze beseffen niet altijd hoe intensief dat is. Je leert het niet door drie maanden twee uur per week les te volgen. Dat zag je ook in het VRT-programma Is ’t Gelukt?, waarin Timon Verbeeck Pools probeerde te leren in zes maanden. Je hebt heel wat uren nodig om van nul naar een bepaald taalniveau te gaan. Dat geldt voor elke taal.
Het is belangrijk om vooraf duidelijk te maken wat mensen kunnen verwachten, en dat is een taak voor ons. Hoe leer je een taal, hoe lang duurt het voordat je echt vooruitgang boekt... Niet iedereen hoeft een hoog niveau Nederlands te hebben. Voor sommige jobs volstaat basiskennis. Deze mensen kunnen eerst werk zoeken en daarna Nederlands leren. Ze komen dus naar ons voor oriëntatie en keren later terug om zich in te schrijven voor Nederlandse lessen. Anderen willen meteen een opleiding volgen die bij hun situatie past. Voor ouders van kinderen in het Nederlandstalige onderwijs is de taal heel belangrijk om met de school te kunnen communiceren. Daar kun je beter zo vroeg mogelijk mee beginnen."
Welke invloed hebben recente beleidskeuzes, zoals de beperking van de werkloosheid in de tijd, op de vraag naar Nederlandse lessen?
Manghelinckx: "We zien inderdaad de vraag naar Nederlandse lessen bij werkzoekenden toenemen. Dat komt door de beperking van de werkloosheid in de tijd: activeringsdiensten zoals de Actiris voelen de druk. Vanuit die hoek stijgt de vraag en ook de vraag naar 'taalbaden' is de voorbije maanden sterk toegenomen. Dat zijn kortdurende, intensieve cursussen die we samen met VDAB en de CVO's organiseren.
Daarnaast verwachten we dat meer ouders Nederlands zullen leren om hun kinderen met voorrang in het Nederlandstalige onderwijs te kunnen inschrijven. De taalvereisten worden namelijk strenger: vanaf het schooljaar 2027-2028 moet je aantonen dat je je niet alleen mondeling, maar ook schriftelijk kunt redden op B2-niveau. Onze bedoeling is om ouders al ver vóór de schoolinschrijving te informeren over het Nederlandstalige onderwijs en de mogelijkheden om Nederlands te leren, bijvoorbeeld via de Huizen van het Kind.
We stellen ook vast dat er bepaalde doelgroepen zijn die minder gebruik maken van onze diensten, zoals asielzoekers. Dat uit zich in de teruglopende vraag naar lessen Latijns schrift. Mensen die een ander schrift gebruiken, leren dat eerst voordat ze aan Nederlandse lessen kunnen beginnen."
Het ToTaalplan Nederlands wil ervoor zorgen dat meer mensen Nederlands leren en gebruiken in Brussel. Merkt u daardoor al een grotere vraag naar Nederlandse les?
Manghelinckx: "Op zeer korte termijn verwachten we nog geen grote impact, maar ik merk wel dat het ToTaalplan in Brussel iets in beweging zet. De aandacht voor het Nederlands groeit in verschillende sectoren. We hebben bijvoorbeeld samengezeten met de gemeenschapscentra. Hun publiek vraagt steeds vaker naar Nederlands en de centra willen daar iets mee doen. We bekijken samen welke initiatieven we kunnen ontwikkelen.
Ook gemeenten en OCMW's tonen meer interesse, mede dankzij het Masterplan Tweetaligheid van het Brusselse Gewest. Dat plan zet in op tweetaligheid van ambtenaren en met succes: steeds meer gemeenten en OCMW's willen hun personeel Nederlandse lessen laten volgen. Vier jaar geleden ging het om ongeveer 200 ambtenaren, vandaag zijn dat er 600. Die lessen organiseren we samen met de Centra voor Volwassenonderwijs".
Ook in de privésector, bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, groeit de belangstelling. We hebben een project opgestart met het Sint-Janziekenhuis, waarbij we eerst een nulmeting uitvoeren. Het personeel wordt gescreend op tweetaligheid, in dit geval op de kennis van het Nederlands. Op basis daarvan kan het ziekenhuis een beleid uitwerken."
Hoe zit het met de wachttijden? Voorgaande jaren moesten mensen soms lang wachten bij jullie.
Manghelinckx: "Vorig jaar gebeurde het inderdaad soms dat mensen tweeënhalf uur moesten wachten en we de intake moesten afsluiten omdat alles volzet was. We moesten hen dan vragen om de volgende dag terug te komen.
Vandaag is dat niet meer het geval: iedereen die langskomt, wordt geholpen. Mensen krijgen een gesprek en een intake, al dan niet gevolgd door een inschrijving. De procedure verloopt sneller en de wachttijden zijn sterk verminderd. Dat zorgt voor minder frustratie bij bezoekers en medewerkers en voor meer rust op de werkvloer."
Hoe verklaart u die snellere afhandeling?
Manghelinckx: "We hebben nieuwe software ingevoerd, die wat tijd vroeg om ermee vertrouwd te geraken. Daarnaast heeft Vlaams minister van Inburgering en Integratie Hilde Crevits (CD&V) extra middelen toegekend aan de sector en aan het Huis van het Nederlands. Vanaf 2026 krijgen we ongeveer 300.000 euro extra om meer mensen te begeleiden naar een inschrijving voor Nederlandse lessen. Het is de bedoeling dat dit een structurele financiering wordt.
Tot slot hebben we ook onze eigen werking onder de loep genomen. We hebben bekeken waar we sneller en efficiënter kunnen werken. Zo hebben we de testprocedure aangepast en werken we meer met online afspraken. Daardoor kunnen we sneller inschatten of iemand nog een test moet afleggen of zich meteen online kan inschrijven. Ook onze telefonische bereikbaarheid is verbeterd."
Wat zijn eigenlijk de redenen die mensen aanhalen om Nederlands te leren?
Manghelinckx: "Sommige mensen komen bij ons omdat ze nieuwe sociaal-economische kansen willen grijpen. Werk - binnen of buiten Brussel - is vaak een belangrijke drijfveer. Uit ons onderzoek blijkt trouwens dat ongeveer één op de vier mensen Nederlands wil leren om naar Vlaanderen te kunnen verhuizen. De voorbije jaren zijn jaarlijks ongeveer 25.000 mensen vanuit Brussel naar Vlaanderen verhuisd. Dat doen ze vaak omdat ze op zoek zijn naar meer rust, veiligheid, ruimte of groen. Ze kijken daarbij niet langer naar de Vlaamse Rand rond Brussel, maar ook naar gebieden verder weg, zoals de Denderstreek, Zottegem en Dendermonde."
Ook leerlingen uit het Franstalige onderwijs vinden hun weg naar jullie, mogelijk omdat ze op school geen leerkracht Nederlands hebben. Is dat een nieuw fenomeen?
Manghelinckx: "Dat signaal heeft mij ook bereikt. Ik kan er geen concrete cijfers op plakken, maar we stellen vast dat een groeiende groep jongeren van 16 à 17 jaar Nederlands wil volgen in het volwassenenonderwijs. Het gaat om jongeren die op school geen les Nederlands krijgen en daarom zelf de stap zetten naar een CVO. Ze volgen meestal les na schooltijd, 's avonds of, als dat mogelijk is, in het weekend. Het is een relatief nieuw fenomeen. Mogelijk heeft het ook te maken met een tekort aan leerkrachten Nederlands, dat weten we nog niet. We merken alleen dat de vraag vaker terugkomt. Op zich is het positief dat jongeren het belang van Nederlands inzien en zelf op zoek gaan naar mogelijkheden om de taal te leren. De manier waarop ze dat moeten doen, is natuurlijk minder vanzelfsprekend."
Naast les volgen is het ook belangrijk om te oefenen. Er werden middelen vrijgemaakt voor het project ‘Oefenkansen’. Hoe belangrijk zijn plekken om Nederlands te oefenen?
Manghelinckx: "Een taal moet je in de praktijk kunnen gebruiken. Het is zoals gitaar spelen: je kunt twee uur per week gitaarles volgen, maar daarna moet je thuis blijven oefenen. Met een taal werkt het net zo. Je hebt plekken nodig waar je Nederlands kunt spreken en fouten mag maken, in een veilige en vertrouwde omgeving. Er zijn hier weinig natuurlijke plekken waar veel Nederlands wordt gesproken. Zelfs in de rand rond Brussel wordt dat moeilijker, bijvoorbeeld in Vilvoorde en andere gemeenten.
Ook op Vlaams niveau wordt oefenen nog belangrijker. Voor inburgeraars in Vlaanderen wordt het vereiste niveau voor mondelinge taalvaardigheid opgetrokken naar B1. Veel mensen zullen dat niveau niet alleen via lessen in de klas halen. Oefenkansen kunnen hen daarbij helpen.
We zetten daarom zelf in op verschillende mogelijkheden om Nederlands te oefenen. Dat kan via onze conversatietafels in Brussel, activiteiten in de publieke ruimte of via onze website, waar mensen een taalbuddy kunnen zoeken. Daarnaast organiseren we afterworkactiviteiten waar mensen na het werk Nederlands kunnen oefenen. Dat doen we samen met het Brusselse netwerk van organisaties, zodat we voldoende plekken hebben waar mensen de taal daadwerkelijk kunnen gebruiken."
Naast oefenkansen duikt ook het idee voor ‘gebruiksplekken’ op via het kabinet van Hilde Crevits. Wat zijn dat?
Manghelinckx: "Oefenkansen zijn georganiseerde momenten, gebruikskansen gaan meer over het dagelijkse leven. We merken dat Nederlandstaligen vaak snel overschakelen naar het Frans of Engels wanneer ze met anderstaligen praten. Daardoor ontnemen we mensen soms de kans om hun Nederlands te oefenen in de stad.
Ik merk dat ook bij mezelf. Iemand zegt dat die Nederlands wil spreken, maar toch schakel ik soms over naar hun eigen taal. Dat kan zelfs een beetje betuttelend zijn en het helpt de persoon ook niet vooruit. Daar willen we de komende jaren op inzetten.
Het gaat in de eerste plaats om sensibilisering: mensen bewustmaken van het belang van deze 'gebruikskansen' en anderstaligen de ruimte geven om Nederlands te spreken. Natuurlijk is dat niet in elke context even gemakkelijk. Als het erg druk is in een ziekenhuis, is het niet altijd evident om rustig in het Nederlands te communiceren. Toch willen we mensen bewuster maken van het belang van die alledaagse momenten om Nederlands te spreken."
Onder meer de Albert Heijn in het Vlaamse Rumbeke doet mee. Zijn er in Brussel al concrete plekken aangeduid?
Manghelinckx: "Die zijn we momenteel aan het uitwerken. We willen de stap zetten van oefenkansen naar gebruikskansen en bekijken de komende jaren hoe we dat samen met onze partners kunnen realiseren."
KioskNews shows a cleaned-up reading view extracted from the publisher’s page — the original always lives on their site, not ours.