Brusselse brandweer: ook een elitekorps moet verantwoording afleggen

De brandweer van Brussel speelt, op haar beste momenten, in de Champions League van veiligheidsdiensten.
Als enige brandweerzone in het land kan het bogen op een volledig professioneel kader: er werken geen vrijwilligers, maar alleen vaste krachten. Dat zorgt voor vertrouwen tussen de manschappen, die blindelings op elkaar kunnen rekenen op de moeilijkste momenten tijdens een interventie. Wat materiaal betreft werken de teams met het nieuwste van het nieuwste: zo wordt het wagenpark geregeld vernieuwd, tot jaloezie van kleinere kazernes, die het vaak met veel minder middelen moeten doen.
Nog een reden waarom de Brusselse brandweer hoog aangeschreven staat: haar expertise. Dat komt door de grootstedelijke omgeving waarin het korps werkt, en die komt met specifieke uitdagingen. Dichtbebouwde gebieden die elke uitslaande brand tot een potentiële nachtmerrie maken, een slecht onderhouden en niet altijd veilig patrimonium dat snel vuur vat, precaire woonomstandigheden die tot onveilige situaties leiden … Niet toevallig solliciteren zoveel kandidaten spontaan bij de dienst: in Brussel valt er altijd wel iets te beleven. En altijd wel iets spectaculairs.
Die bijzonderheid kent ook een keerzijde. Dat bleek afgelopen zomer, met als triest dieptepunt de dood van sergeant-majoor Olivier Francotte bij een gasexplosie in een gebouw aan de Treurenberg. Ook een collega van hem en twee medewerkers van Sibelga raakten daarbij zwaargewond.
Dat ongeluk veroorzaakte een schok en herinnerde aan een ongemakkelijke waarheid: ondanks de heroïsche verhalen blijft het een gevaarlijk vak, waarbij – soms letterlijk – de kleinste misstap fatale gevolgen kan hebben.
In die zin klinkt de eis van de brandweer om meer middelen en meer personeel meer dan logisch. Uitzonderlijke omstandigheden (en een fors stijgend aantal interventies) vergen uitzonderlijke inspanningen. Dat lijkt ook de boodschap in de budgetonderhandelingen die volgende week opnieuw beginnen tussen de machtige vakbonden, de korpsleiding en de Brusselse regering.
Maar wil dat zeggen dat elke eis zomaar moet worden ingewilligd? Niet noodzakelijk, en dat staat los van het respect voor de risico's die brandweerlieden elke dag nemen. Tegenover aanzienlijke publieke middelen mag de overheid ook hervormingen eisen.
Zo blijft de ondervertegenwoordiging van vrouwen problematisch, net als de vraag of het korps de diversiteit van Brussel voldoende weerspiegelt. Dat oude zeer wegwerken, lijkt niet echt een prioriteit, hoewel dat maatschappelijk niet langer te verdedigen valt. Meer lokale inbedding en rekrutering leidt trouwens tot meer voeling met plaatselijke gevoeligheden en figuren.
Ook de organisatie van de arbeidstijd verdient minstens een debat. Zijn 24-urenshiften, structurele overuren en klassieke kazerneritmes nog de beste manier om een moderne grootstedelijke hulpdienst te organiseren?
Tot slot blijft de brandweer te veel een gesloten bastion. Naar buiten toe communiceert de dienst opvallend open over interventies; met Walter Derieuw heeft de organisatie zelfs de Woordvoerder van het Jaar in huis. Maar zodra het over interne werking, topbenoemingen, conflicten of hervormingen gaat, sluiten de rangen. Alsof de buitenwereld de vijand is. Operationele discretie is noodzakelijk, bestuurlijke geslotenheid is dat niet. Die geslotenheid verstevigt het beeld van de brandweer als een 'staat in een staat', aan niets of niemand verantwoording verschuldigd. Een frustratie die vooral bij de politiek leeft.
En dat hoeft niet. De bevolking vertrouwt de brandweer voldoende. Ook als die intern brandjes moet blussen.
KioskNews shows a cleaned-up reading view extracted from the publisher’s page — the original always lives on their site, not ours.