Kritiek op AfricaMuseum: 'Wie is eigenaar van het Tshokwe Cihongo-masker?'

Tijdens een recente familiemaaltijd ontstond een discussie over een tentoonstelling van hedendaagse kunst waarin sacrale objecten uit Afrikaanse tradities werden gebruikt. Een koppel – de ene wit, de andere van Afrikaanse afkomst – keek er heel anders naar. De eerste herhaalde met rustige vanzelfsprekendheid een bekend argument: dankzij het museum of de kunstenaar kunnen we die objecten tenminste ontdekken, bekijken en ervan genieten. Is dat niet beter dan dat ze verdwijnen?
Het klinkt redelijk. Maar precies daar zit het probleem. Dat een Europees publiek voordeel haalt uit de aanwezigheid van een object, zegt niets over de omstandigheden waarin het zijn plaats van herkomst heeft verlaten. Onteigening wordt geen redding omdat wij er vandaag naar kunnen kijken. Zo krijgt het verlangen van de ene groep om te zien meer gewicht dan het recht van de andere om zelf te beslissen.
Ik moest eraan denken toen ik de oproep van het AfricaMuseum zag om voor de Erfgoedloterij te stemmen voor de restauratie van een Tshokwe Cihongo-masker. Het museum beschrijft het als een krachtige mannelijke geest, verbonden met initiatie, gezag en collectieve identiteit. Het vermeldt ook dat zulke maskers bedoeld waren om binnen een rituele context te functioneren. Maar één vraag ontbreekt: waar komt dit masker vandaan? Wie heeft het afgestaan, onder welke omstandigheden, en op welke grond bewaart het museum het nog?
Die vragen stellen betekent niet dat je tegen restauratie bent. Het betekent dat je weigert om zorg voor een object gelijk te stellen aan eigendom. Een museum kan iets bewaren, onderzoeken of tentoonstellen zonder er eigenaar van te zijn. Maar op zichzelf schept die zorg geen eigendomsrecht. Het recht rond goederen die tijdens de koloniale periode zijn verworven, is complex. Het verschilt naargelang de periode, het land, het statuut van de collectie en de omstandigheden waarin een object werd verkregen. Je kunt dus niet stellen dat elk object in een Europese collectie juridisch gestolen is.
Ook het omgekeerde geldt. Dat een object al decennialang in een inventaris staat, bewijst niet dat er sprake was van vrije instemming of een geldige overdracht. In een koloniaal systeem dat op machtsongelijkheid en dwang berustte, volstaan een ontvangstbewijs of de vermelding 'verzameld' niet om de zaak af te sluiten. Precies daar duikt een vorm van institutionele kwade trouw op. Als naar de herkomst wordt gevraagd, antwoordt men met wetenschappelijke expertise. Als het eigendomsrecht ter discussie staat, wijst men op de kwaliteit van de bewaring. Als restitutie ter sprake komt, wordt gewaarschuwd dat het object misschien zou verdwijnen. Zo wordt het technische vermogen om iets te bewaren omgevormd tot een moreel recht om het te houden. Tegelijk wordt de volledige bewijslast bij de onteigende partijen gelegd, terwijl de objecten, inventarissen en archieven in handen van Europese instellingen blijven.
Raciale last
Die logica stopt niet aan de museumdeur. Ze dringt ook onze families, relaties en vriendschappen binnen. Als een wit persoon zegt dat zijn of haar toegang tot een object de onteigening ervan compenseert, wordt de eigen nieuwsgierigheid de maatstaf voor wat rechtvaardig is. De persoon van Afrikaanse afkomst moet dan uitleggen waarom dat genot niet neutraal is, herinneren aan het historische geweld en een pijn verdedigen die de ander kan reduceren tot een verschil van mening. Ook dat is een raciale last: dat je zelfs in de privésfeer historisch werk moet verrichten, terwijl dat eigenlijk de taak hoort te zijn van de instellingen.
De inzet is daarom niet alleen erfgoedkundig. Ze is ook democratisch. Elke campagne die inspeelt op de emoties van het publiek zonder de herkomst van de objecten en de betrokken rechten zichtbaar te maken, bevestigt een oude orde: Europa bewaart, vertelt en beslist. De samenlevingen van herkomst leveren de betekenis, maar krijgen zelden zeggenschap.
De restauratie van de Cihongo kan noodzakelijk zijn. Maar ze zou gepaard moeten gaan met de publicatie van de herkomstgegevens, het openstellen van de archieven en onafhankelijk onderzoek waarbij Tshokwe-gemeenschappen, professionals en instellingen uit de betrokken landen en geëngageerde diaspora's worden betrokken. Dat onderzoek moet gevolgen kunnen hebben. Het kan leiden tot een overdracht van eigendom, restitutie, bruikleen of gedeeld beheer, afhankelijk van wat eruit blijkt.
Europese expertise wordt gemakkelijk als vanzelfsprekend beschouwd. Afrikaanse expertise en infrastructuur moeten zich telkens weer bewijzen. Instellingen die zich voorstellen als de onmisbare hoeders van dit erfgoed, moeten rekenschap afleggen over de staat van de objecten, de omstandigheden waarin ze werden bewaard en de ingrepen die ze hebben ondergaan.
Over bewaren moet verantwoording worden afgelegd. Een instelling die een object bezit, kan uit haar bewaringsopdracht geen eigendomsrecht afleiden. Evenmin kan ze daar een blijvende superioriteit uit laten voortvloeien. Erfgoed verdwijnt niet als het terugkeert naar de gemeenschappen wier geschiedenis het draagt. Wat wel moet verdwijnen, is het idee dat onze toegang belangrijker is dan hun instemming.
KioskNews shows a cleaned-up reading view extracted from the publisher’s page — the original always lives on their site, not ours.