Brusselse architect: 'Het Justitiepaleis is gebrekkig verankerd in de stad'

Op het Poelaertplein gebeurt sinds kort iets ongewoons. Mensen blijven staan om te kijken. Maar wie dicht genoeg staat voor een foto, krijgt het gebouw niet volledig in beeld. Wie ver genoeg achteruitgaat, belandt tussen trams, auto's en fietsers. Het plein is niet ingericht om er te verblijven, maar om erdoorheen te rijden.
Dat gebrek aan afstand is geen detail. Bij dit soort monumentale architectuur begint de ervaring van een gebouw al op het plein ervoor. In Rome start de Sint-Pietersbasiliek niet aan haar gevel, maar bij Bernini's colonnade, die afstand schept en de blik kadreert. Precies die ruimte ontbreekt hier.
Nochtans hoorde de omgeving vanaf het begin bij de ambitie. Voor de bouw verdween een groot deel van de bestaande wijk. Het paleis kwam op de breuklijn tussen Zavel en Marollen te liggen en stelde meteen een grotere vraag. Hoe verhoudt zo'n monument zich tot de stad eromheen?
Tijdens de bouw tekende stedenbouwkundige Victor Besme al een ambitieus wegennet rond het Justitiepaleis. Het gebouw stond daarin als het middelpunt van een vierpuntige ster, verbonden met brede verkeersassen en monumentale perspectieven. Alleen de belangrijkste zichtas, via de Regentschapsstraat, kreeg vorm. De rest bleef op papier.
Dat de ruimte rond het Justitiepaleis onaf bleef, werd ook later als een probleem gezien. In 1929, in de aanloop naar honderd jaar België, tekende Georges Labrique opnieuw een groots plan voor de omgeving: een monumentale afdaling naar de benedenstad, gekoppeld aan een boulevard. Ook dat plan kwam er niet.
Misschien vat dat de geschiedenis van deze plek goed samen. Het paleis werd voltooid, maar de ruimte eromheen bleef een onafgewerkt vraagstuk.
Tsunami aan steen
De absurditeit hiervan zie je in de De Wynantsstraat, waar een gevel van het Justitiepaleis als een tsunami van steen de bescheiden rijwoningen ertegenover bijna verplettert. Of de monumentale hellingen aan de Marollenkant, een van de meest dramatische overgangen tussen hoog- en laag-Brussel, die uiteindelijk uitkomen op de achterkant van een woonwijk. Het Poelaertplein, de enige open ruimte die er wel kwam voor het paleis, is dan weer versnipperd door tramsporen, verkeer en de tunnelmond naar Louiza. De ruimte die rest, wordt ingenomen door een reuzenrad en een wafelkraam.
Het reuzenrad of de wafelkraam is niet het probleem. Een gebrek aan plannen evenmin, plannen waren er genoeg. Wat al anderhalve eeuw ontbreekt, is een overtuigende keuze over wat de ruimte rond het paleis moet zijn. Ze werd nooit als één stedelijk geheel gerealiseerd. Nu de stellingen verdwijnen, wordt zichtbaar dat die gebrekkige verankering het hardnekkigste probleem is, hardnekkiger dan de bouwvallige staat van de gevels.
Toch heeft precies dat stedenbouwkundige falen vandaag een onverwachte kwaliteit voortgebracht. Omdat de ruimte rond het Justitiepaleis nooit als één geheel werd gerealiseerd, bleef ze op sommige plekken open voor toe-eigening. Ga op een zomeravond naar de hellingen aan de Marollenkant. Tussen buitenmaatse sokkelblokken, stenen omheiningen en monumentale brokstukken zitten tientallen jongeren alsof ze bezit hebben genomen van een verlaten ruïne. Ze praten, drinken iets en kijken naar de zon die over Brussel zakt. Wat ooit als restzone achterbleef, is zonder masterplan of officiële bestemming een van de meest aantrekkelijke publieke plekken rond het paleis geworden.
Precies daarin schuilt een les voor wat hierna komt. Het antwoord kan niet zijn om Besmes boulevards alsnog aan te leggen, Labriques afdaling te bouwen of de negentiende eeuw te reconstrueren. Die plannen kwamen voort uit een stadsvisie waarin hele buurten plaats konden maken voor een monumentaal gebaar.
Die stad bestaat niet meer. De Marollen zijn geen wit blad. Bovendien toont het huidige gebruik dat niet alles wat stedenbouwkundig onaf is, ook stedelijk mislukt is. Stedenbouwkundigen willen publieke ruimte graag 'activeren'. Hier hoeft dat niet meer. De stad heeft dat zelf al gedaan.
Daarmee keert de logica van de eerdere plannen om. Besme en Labrique vertrokken telkens van het Justitiepaleis zelf, van zijn schaal, zijn zichtbaarheid en zijn behoefte aan een monumentale omgeving. De stad moest zich rond het gebouw schikken. Een nieuwe visie moet precies andersom beginnen: niet bij de ruimte die het monument verlangt, maar bij de mensen die de ruimte eromheen vandaag al gebruiken. Bij wat zij nodig hebben om er te zitten, te blijven, te kijken en zich tussen boven- en benedenstad te bewegen. Van daaruit kan opnieuw een relatie met het Justitiepaleis ontstaan, via het plein, de hellingen en de verbinding met de Marollen.
Dat de voorgevel vandaag uit de stellingen komt, is een belangrijke stap. Maar wie denkt dat daarmee het monument opnieuw zichtbaar wordt, kijkt te kort. Niet alleen de stellingen hielden het Justitiepaleis decennialang uit het zicht, ook zijn gebrekkige verankering in de stad. De echte opdracht begint waar de restauratie ophoudt: Brussel moet dit kolossale gebouw eindelijk deel van de stad maken.
KioskNews shows a cleaned-up reading view extracted from the publisher’s page — the original always lives on their site, not ours.