Columnist Jeroen Maris: 'Lijn 7 omhelst het park, het doet me aan minnaars denken'

Daar is de kleine kilometer van tram 7 die me het liefst is. Drie haltes, ze hebben namen die zich alleen met eerbied laten uitspreken, Louis Bertrand, Heliotropen, Chazal. De tram wordt in een lange, zachte kromming geaaid: hier krult het Josaphatpark zich rond de rails.
Elke tram moet ergens onderweg vloeibaar worden. Op lijn 55 is er lang de kaarsrechte lijn van een straat zonder verbeelding, maar dan dringt de ovale weelde van het Eugène Verboekhovenplein zich op, dan mag de tram geen stijf leer meer zijn, dan versoepelt hij en komt de lenigheid, zoals in een mensengezicht de reserves wegvallen bij een onverwacht weerzien. Dan wordt de tram de schouder en het plein de oksel.
Op lijn 7 gaat het omgekeerd: het park zit aan de buitenkant, het legt zich rond de tram, is de dirigent van de kromming. Het voelt als een voorrecht om zo omhelsd te worden, het park dat de rug van de tram wordt, het park dat mijn rug wordt, een rug van mos en blad en iep en linde.
Ik ken die kromming ook uit andere werelden, bedenk ik me vandaag. Ze komt ook weleens bij mensen voor, bij minnaars die wakker worden in een bed dat zijn eigen wetten heeft gestemd. De dekens zijn versleept tijdens de nacht, de werkelijkheid is veranderd, en de twee lichamen vinden elkaar 's ochtends terug in meetkunde die ze niet zelf bedacht hebben: het ene beschermt aan de buitenkant, het andere wordt beschermd aan de binnenkant. De kromming, de ronding: niets steekt nog uit, alle hoeken zijn weg, elke scherpte is verdwenen.
Uit het bed, in de tram lijkt iedereen op lijn 7 vandaag genoeg te hebben aan geïsoleerde, puntige bewegingen. De telefoon, natuurlijk, de telefoon is een koektrommel die moet worden leeggegeten. Niemand die zich laat besmetten door de omhelzing van het park.
Dan toch: een vader en een dochter. Het is laat en zij moet naar bed, een bode heeft de slaap al naar haar ogen gebracht. Het meisje schenkt haar hoofd het zachtste stukje van de schouder van haar vader, ze weet dat daar niet de droom maar wel de rust te vinden is, en even sluit ze de ogen, op haar slapen het wit en op haar wangen het rood van de tevredenheid die je slechts één keer in je leven bezoekt en zich dan weer terugtrekt, de tevredenheid van wanneer je perfect negen bent. Ik zie het hoofd, ik zie de schouder, ik zie de negen jaren, en ik zie dat de dochter nooit meer dochter was dan hier, en de vader nooit meer vader dan nu, met die rug van mos en blad en iep en linde, in die kromming die trams en mensen geneest.
KioskNews shows a cleaned-up reading view extracted from the publisher’s page — the original always lives on their site, not ours.