Schrijver Jeroen Maris over de bus naar UZ Jette: 'Op weg om een patiënt te worden'

Er is iets veranderd sinds de bus het station van Jette voorbij is. Tot dan was ze een ketel waarin reizigers lukraak samengegooid werden en het toeval met z'n grote pollepel aan het roeren ging. Mensen stapten in, hoorden hier even thuis, stapten daarna weer uit. Dit was wat een volle bus is: een verzameling plannen, ambities en verlangens die elkaar even aanraken en dan weer weggeroepen worden.
Maar terwijl het station van Jette uit het zicht verdwijnt, kijk ik rond en zie ik wat er gebeurd is: vanaf nu zijn we hier allemaal voor hetzelfde. Buiten weten ze het ook, want het staat in strenge hoofdletters op het voorhoofd van de bus getatoeëerd, eerst het lijnnummer, dan de bestemming: 14 UZ-VUB. Onze horizon is het ziekenhuis.
De stilte in deze bus is niet van dons. Dat krijg je wanneer mensen op weg zijn naar een plaatsbepaling tussen geboorte en dood: een scherp zwijgen, iets waar je je aan kunt snijden, scherven die niemand heeft willen opruimen. Een vrouw perst de lippen op elkaar. Een man kijkt naar buiten maar zijn ogen zijn moe. Achter het glas ligt de stad van de onsterfelijken. Daar klatert de ambitie, daar floreert het verlangen. Wij nemen tijdelijk niet deel. Wij zijn op weg om patiënten te worden. Wij zijn ook de stad, hier in deze bus, maar wel de stad van de sterfelijken.
Straks laten we ons opslokken door het grote gebouw. Dan drijven ze ons de gangen door, de eindeloze gangen, steeds dieper moet je doordringen in zo'n ziekenhuis, tot je de cantates van de stad niet meer kunt horen, tot het licht niet meer geel maar wit is, tot je vermoeid genoeg bent om in het papier op de behandeltafel te slapen, en dan wachten de schermen en de infusen en de druppeltellers, dan verschijnen de verplegers met hun haarnetjes en hun gespierde monterheid, dan komen de dokters en hun diagnoses.
Ik weet het wel, een ziekenhuis is niet louter de thuis van onherstelbare defecten. Er moeten in deze bus al veel mensen gezeten hebben die op weg waren naar beterschap, naar genezing, naar minder pijn dan gisteren. Mevrouw krijgt een nieuwe heup. Meneer wacht een scan die iets ernstigs zal uitsluiten.
Maar ik kan het niet helpen: toon me de geboorte en ik zie het sterven. Ik drink altijd de gifbeker en nooit de moedermelk, en dus zie ik ons hier voor het laatst in deze bus zitten. We hebben geluk, want luidop uitgesproken vormen de haltes net voor het ziekenhuis een sierketting. Lorge. Crocq. Bonaventure. Oude Afspanning. De dood heeft hier een prachtig aftelrijmpje.
KioskNews shows a cleaned-up reading view extracted from the publisher’s page — the original always lives on their site, not ours.