Columnist Jeroen Maris: 'De MIVB kent verschillende soorten tijd'

Nog vijf minuten, zegt het scherm aan de tramhalte. Theoretische tijd, dat staat er ook. Ik weet het, en iedereen die zich aan deze halte verzameld heeft weet het ook: die toevoeging is de eerlijke aankondiging van een onzekerheid. Misschien komt de tram, misschien komt hij niet. Theoretische tijd is de deemoedige knieval van de vervoersmaatschappij: excuus, we weten het even niet. Misschien is de tram uit de werkelijkheid gevallen, zoekgemaakt in een bres van de tijd. Gewoon, zoals iets soms niet meer gevonden kan worden: een sleutelbos, een woord, een vriendschap. Een tram. Er zijn twee soorten wachten, en ze verschillen fundamenteel van elkaar. Er is het geformatteerde wachten, het wachten waarbij het duidelijk is hoelang het zal duren. Verlangen en verlossing, met een betrouwbare chronometer. En er is het onzekere, warrige wachten, het wachten op iets dat komt maar misschien ook niet.
Wij zijn nu overgeleverd aan dat tweede wachten. Er is de jonge man met de snor en het kinbaardje, de witte draadloze oordoppen, het mutsje op het hoofd. Er is de moeder met de lege kinderwagen en de baby in de draagdoek. Er is het meisje dat op haar telefoon haar rijexamen oefent, want eeuwig een passagier blijven zint haar niet. De draden tussen ons zijn onzichtbaar, dat zijn ze natuurlijk altijd, maar ze worden nu wel aangespannen. We weten immers van elkaar dat we door dezelfde vraag in beslag genomen worden: wachten we in de theoretische tijd, of wachten we in die andere tijd – in, hoe zullen we 'm noemen, de werkelijke tijd?
Er is wat vooropgesteld is, uitgetekend, verhoopt, verwacht, afgesmeekt: de theoretische tijd. En er is wat echt uit de dienstregeling komt gedruppeld, de praktijk, het morsige toeval, het kladwerk, het schrijven met doorhalingen en het tekenen met vlekken gemaakt door de muis van de hand: de werkelijke tijd.
De man met het mutsje en de moeder met de draagdoek en het meisje met het rijexamen lijken nog voornamelijk uit theoretische tijd te bestaan. Ze staan nog elke ochtend op als mogelijkheden. Ik ben ouder, ik bezit een logboek van trams die niet gekomen zijn.
Na precies vijf minuten blijkt deze tram niet uit de werkelijkheid gevallen, niet zoekgemaakt: hij verschijnt gewoon op het afgesproken tijdstip. We stappen in, de halte is een druppelteller die de man en de moeder en het meisje en ik één voor één in de tram loslaat. We zijn de theoretische tijd, we zijn de werkelijke tijd, en ongeduldig sluiten de deuren zich rond al onze jaren en maanden en dagen en uren en minuten.
KioskNews shows a cleaned-up reading view extracted from the publisher’s page — the original always lives on their site, not ours.