Business AM-enquête: grote eensgezindheid over besparen en saneren, grotere verdeeldheid over energie en België

Grote politieke enquête van Business AM legt tegelijk opvallende overeenkomsten en scherpe taalverschillen bloot. Over begrotingsdiscipline, renovatie en activering is er vaak meer eensgezindheid. Vooral energiebeleid, arbeidsmigratie, de rol van de overheid en de staatsstructuur verdelen de respondenten. Het politieke vertrouwen ligt aan beide kanten van de taalgrens laag.
De grote politieke enquête van Business AM toont een België waarin Nederlandstalige en Franstalige respondenten op een aantal sociaaleconomische thema’s opvallend dicht bij elkaar liggen, maar op andere dossiers duidelijk verschillende accenten leggen.
Bijna 800 deelnemers aan de enquête
In totaal namen 779 respondenten deel: 708 Nederlandstaligen en 71 Franstaligen. De resultaten zijn niet representatief voor de Belgische bevolking: het gaat om deelnemers aan de Business AM-enquête die zichzelf hebben aangemeld. De Franstalige steekproef is bovendien veel kleiner dan de Nederlandstalige.
Bij de meerkeuzevragen konden respondenten meerdere antwoorden aanduiden. Daarom worden de percentages hieronder berekend op het totale aantal aangekruiste opties per vraag, niet uitsluitend op het aantal respondenten. Vrije antwoorden zijn afzonderlijk bekeken en worden alleen kwalitatief gebruikt.
Flexi-jobs: vooral een signaal van de arbeidsmarkt
Over de betekenis van flexi-jobs bestaat in beide taalgroepen een duidelijke overeenkomst. Bij de Nederlandstalige deelnemers zegt 38,7 procent dat flexi-jobs vooral niet-werkenden moeten activeren. 26,7 procent ziet het fenomeen als een alarmsignaal dat lonen en koopkracht tekortschieten. Nog eens 21 procent vindt dat flexi-jobs de staatskas te veel kosten.
Bij de Franstaligen staat eveneens het activeren van niet-werkenden bovenaan (37,5 procent), gevolgd door de bezorgdheid over lonen en koopkracht (26,4 procent). Daar krijgt het idee dat flexi-jobs een positieve vorm van flexibiliteit zijn 19,4 procent van de selecties.
De vrije antwoorden maken duidelijk dat respondenten het begrip flexi-job niet allemaal op dezelfde manier bekijken. Sommige deelnemers willen het systeem vooral behouden voor gepensioneerden of sectoren met personeelstekorten. Andere reacties leggen de nadruk op de loon- en fiscale gevolgen.
Bij de vraag naar de sociale bijdragen van flexi-jobs verschuift het accent. In Vlaanderen wil 35,5 procent de fiscale voordelen beperken of afschaffen en 26,7 procent extra bijdragen vragen aan werkgevers of aan de flexi-jobbers zelf. In de Franstalige groep kiest 28,2 procent voor geen ingreep, omdat de voordelen voor burgers volgens die optie zwaarder wegen. Het beperken of afschaffen van fiscale voordelen volgt daar met 26,8 procent.
Koopkracht en het verschil tussen werken en niet-werken
Over de oorzaak van de dalende koopkracht is er opvallend veel eensgezindheid. 55,8 procent van de Nederlandstalige en 56,2 procent van de Franstalige selecties kiest voor een combinatie van overheidsbeleid (belastingen, regelgeving, energiekeuzes) en externe factoren (oorlog, wereldmarkt).
De accenten verschillen daarna. Nederlandstaligen wijzen vaker naar het overheidsbeleid (19,8 procent), terwijl Franstaligen vaker externe factoren zoals oorlog en de wereldmarkt aanduiden (20,5 procent).
Ook over het verschil tussen werken en niet-werken bestaat een gemeenschappelijke hoofdlijn. 58,1 procent van de Nederlandstalige selecties kiest voor een combinatie van werken aantrekkelijker maken én de uitkeringen hervormen. In de Franstalige groep is dat 43,1 procent.
Daar komen andere accenten naar voren. 18,1 procent van de Franstalige selecties kiest voor een lagere fiscale druk op lage lonen, tegenover 7,9 procent bij Nederlandstaligen. Het sterker beperken van de duur of het bedrag van uitkeringen krijgt aan beide kanten steun, maar ligt bij Franstaligen op 18,1 procent, tegenover 13,3 procent bij Nederlandstaligen.
In de vrije antwoorden komt daarbij geregeld het idee terug dat activering niet alleen uit strengere voorwaarden moet bestaan. Respondenten noemen ook begeleiding en het aantrekkelijker maken van werk.
Werkloosheid en pensioenen: eerst andere uitgaven bekijken
De voorgestelde besparing op werkloosheidsuitkeringen bij indexering krijgt geen eenduidig antwoord. Bij Nederlandstaligen noemt 31,2 procent de maatregel verstandig en gericht. 23,4 procent wil de indexering niet blokkeren maar uitkeringen sneller beperken. 18,2 procent wil elders besparen (bv. in de miljardensubsidies aan bedrijven en aan defensie).
Bij Franstaligen staat de eerste optie nog iets sterker op 36,1 procent. Elders besparen en uitkeringen sneller beperken krijgen elk 15,3 procent.
De vrije antwoorden leggen hier een extra accent op de vraag waar de overheid precies moet besparen. Sommige deelnemers willen niet zozeer de klassieke werkloosheidsuitkering aanpakken, maar wijzen op andere besparingen op sociale uitgaven, subsidies, parlementaire onkostenvergoedingen of op de begeleiding van langdurig werklozen. Anderen wijzen op de nood aan de afslanking van het staatsapparaat dat bovendien efficiënter moet werken (aanwervingsstop,…).
Ook bij de pensioenen is een belangrijke overeenkomst zichtbaar. Zowel Nederlandstaligen (34,7 procent) als Franstaligen (34,2 procent) vinden dat eerst andere overheidsuitgaven moeten worden aangepakt.
Daarna verschillen de accenten. Bij Nederlandstaligen vindt 20,6 procent dat wie langer en meer gewerkt heeft duidelijk meer pensioen moet krijgen. In de Franstalige groep krijgt een fundamentele hervorming van het pensioenstelsel 19,2 procent, evenveel als de optie waarbij een langere en vollere loopbaan sterker wordt beloond.
Arbeidsmigratie: verschil in accent
Bij economische migratie wordt de taalgrens duidelijker zichtbaar.
Bij Nederlandstaligen staat het beperken van arbeidsmigratie en eerst de binnenlandse arbeidsreserve aanspreken bovenaan met 39,5 procent. 32,5 procent vindt arbeidsmigratie mogelijk, maar alleen met voldoende garanties rond werk en integratie.
Bij Franstaligen is de volgorde omgekeerd: 29,6 procent vindt arbeidsmigratie mogelijk onder voorwaarden, tegenover 28,2 procent voor een beperktere migratie en het eerst aanspreken van de binnenlandse arbeidsreserve.
In beide groepen krijgt de stelling dat migratie geen instrument is voor structurele problemen op de arbeidsmarkt minder steun, maar ze blijft aanwezig: 14,8 procent bij Nederlandstaligen en 12,7 procent bij Franstaligen.
De vrije antwoorden tonen dat deelnemers daarbij verschillende problemen door elkaar zien lopen: arbeidsmarktkrapte, sociale bijdragen, loonvoorwaarden en integratie. Sommige respondenten pleiten voor tijdelijke arbeidsmigratie die gekoppeld is aan concrete tekorten; andere reacties leggen vooral de nadruk op het eerst activeren van mensen die al in België wonen.
Begroting: saneren staat bovenaan
De meest uitgesproken overeenkomst komt bij de overheidsfinanciën.
Op de vraag wat prioritair moet gebeuren nu de begroting onder druk staat, kiest 58,9 procent van de Nederlandstalige selecties voor serieus saneren en stoppen met nieuwe uitgaven. Bij Franstaligen bedraagt dat 52,1 procent.
Sociale fraude harder aanpakken en niet-werkenden activeren krijgt respectievelijk 21,9 en 16,4 procent.
11,2 procent van de Nederlanstalige deelnemers wil meer belastingen heffen bij de “sterkste schouders” tegen over 12,3 procent bij de Franstaligen.
De vrije antwoorden geven een vrij consistente bijkomende boodschap: verschillende respondenten vragen niet alleen besparingen, maar een systematische doorlichting van de overheidsuitgaven. Ook minder administratieve structuren, het stopzetten van subsidies, fiscale en sociale fraude aanpakken en het schrappen van overlappingen tussen overheden komen spontaan terug. Sommigen suggereren dat de goudreserves van ons land moeten opgebouwd worden.
Ook bij Defensie ligt er een gemeenschappelijke voorkeur voor efficiëntie. 43,8 procent van de Nederlandstalige selecties wil wel investeren, maar door Defensie zoveel mogelijk Europees te organiseren. Bij Franstaligen is dat zelfs 56,9 procent.
Daarentegen vindt 24,5 procent van de Nederlandstalige deelnemers dat defensie een absolute prioriteit blijft en dat nationale veiligheid en internationale geloofwaardigheid boven begrotingsdiscipline gaan. Slechts 8,3 procent van de Franstaligen heeft diezelfde visie.
De Franstalige groep bevat daarnaast een grotere groep die de miljardenuitgaven aan Defensie onverantwoord vindt en de uitgaven prioritair naar schuldafbouw, de sociale zekerheid of koopkrachtmaatregelen moeten gaan (19,4 procent). Slechts 13 procent van de Nederlandstaligen is van dezelfde mening.
Lonen, index en meerwaardebelasting
Het loon- en indexbeleid levert een versnipperd beeld op. Bij de Nederlandstaligen kiest een overgrote meerderheid van 34,8 procent voor de onmiddellijke intrekking van de indexplafonnering om de koopkracht te beschermen nu de inflatie weer zwaar stijgt.
Bij de Franstaligen is deze groep nog groter met 39,4 procent.
Bij Nederlandstaligen liggen de drie volgende opties relatief dicht bij elkaar: 20 procent noemt de centenindex en loonnorm noodzakelijk, 19,3 procent wil een soepelere loonnorm en 18,3 procent wil nog verder ingrijpen in de automatische indexering. In Franstalige België liggen diezelfde antwoorden respectievelijk op 14,1 procent (centenindex en loonnorm noodzakelijk), 23,9 procent kiest voor een soepelere loonnormwet en 14,1 procent vindt dat overheid nog verder moet ingrijpen.
De vrije antwoorden tonen dat het onderwerp voor veel deelnemers vooral verbonden is met koopkracht. Sommige respondenten willen de automatische index volledig behouden; andere reacties pleiten opnieuw voor besparingen bij het overheidsapparaat.
Ook over de nieuwe meerwaardebelasting van 10 procent bestaat geen eensgezindheid.
Bij Nederlandstaligen noemt 39,2 procent de maatregel onverantwoord, terwijl 29,1 procent het tarief aanvaardbaar vindt mits een hogere vrijstelling. 16,7 procent vindt een belasting op vermogenswinsten rechtvaardig om ze meer gelijk te behandelen met arbeidsinkomen.
Bij Franstaligen liggen de eerste twee antwoorden exact gelijk op 34,7 procent: zowel het aanvaardbare compromis met hogere vrijstelling als de beoordeling dat het beleid onverantwoord is.
In de vrije reacties komt daarbij geregeld een onderscheid terug tussen grote vermogens (vanaf 1 miljoen euro) en kleine beleggers. Sommige respondenten pleiten voor een hogere vrijstelling, terwijl anderen vinden dat de burger al genoeg belast wordt (erfenis, schenking, kadastraal inkomen, roerende voorheffing en beurstaksen, …).
Energie: hier loopt de taalgrens het duidelijkst
Energie is een van de thema’s waar de antwoorden het meest uiteenlopen.
Bij de energiemix kiest 39,9 procent van de Nederlandstalige selecties voor het zo lang mogelijk behouden en uitbreiden van kernenergie. 32,1 procent wil alle technologieën openhouden en kiezen op basis van kostprijs en betrouwbaarheid.
Bij Franstaligen staan dezelfde opties bovenaan, maar kernenergie ligt daar op 33,8 procent en alle technologieën openhouden op 28,4 procent. Het verlagen van de energiefactuur, ongeacht de technologie, krijgt bij Franstaligen 20,3 procent, tegenover 12,6 procent bij Nederlandstaligen.
De vrije antwoorden versterken vooral twee lijnen: betaalbaarheid en bevoorradingszekerheid. Sommige respondenten benadrukken kernenergie als stabiele energiebron, terwijl anderen vooral vragen om een mix van technologieën en om investeringen in opslag en hernieuwbare energie. Anderen zijn van mening dat klimaatverandering niet kan voorkomen worden en dat er landen zijn die minder inspanningen doen naar CO2-uitstoot toe wat ook gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit van ons land.
Ook over het aardgasnet zijn de verschillen duidelijk. 34,9 procent van de Nederlandstalige selecties wil het gasnet alleen afbouwen wanneer er realistische en betaalbare alternatieven zijn. 33,3 procent vindt dat gas een optie moet blijven zolang andere Europese landen het gebruiken.
Bij Franstaligen ligt de eerste optie veel hoger: 46,5 procent. Nog eens 33,8 procent wil afbouw alleen voor nieuwbouw en bestaande woningen ongemoeid laten.
Warmtepompen: keuzevrijheid
De vraag over warmtepompen levert een van de opvallendste verschillen op.
Bij Nederlandstaligen kiest 61,7 procent voor keuzevrijheid en tegen dwang. 22,7 procent wil eerst massaal isoleren.
Bij Franstaligen liggen de twee grootste antwoorden gelijk: 43,7 procent wil eerst massaal isoleren en 43,7 procent wil burgers de keuze laten.
In de vrije antwoorden wordt die praktische dimensie nog duidelijker. Verschillende respondenten wijzen erop dat oudere woningen eerst geïsoleerd moeten worden en dat niet iedere eigenaar de financiële mogelijkheid heeft om tegelijk te renoveren en een warmtepomp te installeren. Andere deelnemers vinden juist dat verplichtingen nodig zijn om de transitie te versnellen.
De vraag wie over energiebeleid moet beslissen bevestigt het verschil in accent. Nederlandstaligen kiezen vooral voor specialisten en onafhankelijke experts (42,3 procent). Franstaligen plaatsen het persoonlijk verantwoordelijk houden van politici bovenaan (32,9 procent), gevolgd door experts (31,5 procent).
Over de grenzen van overheidsingrijpen is de Nederlandstalige groep het meest uitgesproken over de eigen overheidsuitgaven: 41 procent vindt dat de overheid eerst haar eigen huishouden op orde moet hebben. 30,4 procent vindt dan weer dat de overheid alleen mag meebeslissen over wat strikt noodzakelijk is en dat de rest de vrije keuze van de burger moet zijn.
Bij Franstaligen staat de optie dat de overheid alleen strikt noodzakelijke maatregelen moet nemen op 32,4 procent, gevolgd door 29,7 procent die van mening is dat de overheid eerst haar eigen huishouden op orde moet hebben.
De vrije antwoorden brengen daar nog een derde element bij: meerdere deelnemers koppelen energiebeleid aan de bredere vraag hoeveel verplichtingen een overheid aan burgers mag opleggen. Anderen zien vooral heil in de combinatie van een van de topantwoorden met meer inspraak voor de burger.
N-VA en Vooruit: beoordeling van het energiebeleid
De enquête vroeg ook expliciet naar de visie van N-VA en Vooruit over energie.
Bij de afbouw van het aardgasnet in Vlaanderen vindt 54 procent van de Nederlandstalige selecties dat de regering eerst realistische en betaalbare alternatieven moet aanbieden. Bij Franstaligen loopt dat op tot 64,8 procent.
De optie dat het beleid te ver en te snel gaat krijgt 23 procent bij Nederlandstaligen en 15,5 procent bij Franstaligen.
Ook over het Vooruit-beleid is de grootste groep aan beide kanten voorstander van eerst betaalbare alternatieven en voldoende isolatie. Dat antwoord haalt 37,6 procent bij Nederlandstaligen en 47,9 procent bij Franstaligen.
Bij Nederlandstaligen volgt een kritiek op het beleid als te ideologisch en te weinig technisch onderbouwd met 35,3 procent. Bij Franstaligen is dat 31,5 procent.
De vrije antwoorden zijn hier bijzonder divers. Sommige deelnemers formuleren hun antwoord in technische termen rond infrastructuur, isolatie en betaalbaarheid; anderen maken er een bredere discussie van over de rol van de overheid en de snelheid van klimaatbeleid. Die individuele reacties moeten niet als representatief voor de volledige groep worden gelezen.
Wallonië: activering en begroting
Bij de Waalse arbeidsmarkt is er opnieuw meer overeenkomst.
42,5 procent van de Nederlandstalige en 40,5 procent van de Franstalige selecties kiest voor een combinatie van strengere activering en betere begeleiding.
Werkzoekenden sneller verplichten om werk of opleiding te aanvaarden krijgt respectievelijk 28,8 en 25,7 procent.
Over de Waalse begroting wijzen beide groepen vooral naar de administratie en het aantal ambtenaren: 45,6 procent bij Nederlandstaligen en 46,6 procent bij Franstaligen.
Daarna ontstaat wel een verschil. Nederlandstaligen wijzen vaker naar sociale uitgaven en uitkeringen (19,2 procent), terwijl Franstaligen ook de pistes van subsidies en overheidssteun aan organisaties en bedrijven (20,5 procent) en van economische groei en jobcreatie zonder onmiddellijke sanering relatief vaak aanduiden (19,2 procent).
In de vrije antwoorden wordt de discussie opnieuw breder getrokken naar administratieve efficiëntie, subsidies en de vraag of economische groei meer ruimte moet krijgen naast besparingen.
Waalse renovatiepremies
Ook bij renovatiepremies zijn de overeenkomsten groter dan de verschillen, maar de prioriteiten liggen anders.
Nederlandstaligen kiezen eerst voor de vraag of de klimaatwinst wel opweegt tegen de kosten (28,5 procent), gevolgd door minder subsidies en goedkopere leningen (26,8 procent). Een derde grote groep vindt dat premies moeten vooral naar gezinnen met lage en middeninkomens moeten gaan (24,4 procent).
Bij Franstaligen staat steun aan lage- en middeninkomens bovenaan met 32,4 procent. Minder subsidies gecombineerd met goedkope leningen volgt met 19,7 procent. 18,3 procent vindt dat de overheid eerst moet aantonen dat de klimaatwinst opweegt tegen de kost voor de belastingbetaler.
De vrije antwoorden brengen daar nog praktische bezorgdheden bij: respondenten wijzen onder meer op de kostprijs van renovaties, de betaalbaarheid voor eigenaars en de vraag hoe subsidies zich moeten verhouden tot verplichtingen.
Brussel: begroting en woningmarkt
Voor de Brusselse begroting willen Nederlandstalige deelnemers opnieuw sterk snoeien in de administratie en personeelskosten: 50,7 procent. Bij Franstaligen is dat 39,2 procent.
Minder subsidies en overheidssteun krijgen aan beide kanten ongeveer een kwart van de selecties: 23,9 procent bij Nederlandstaligen en 24,3 procent bij Franstaligen.
In de vrije antwoorden komen daarnaast voorstellen terug om administratieve structuren te rationaliseren en overlappingen tussen Brusselse instellingen en gemeenten te verminderen.
Bij de Brusselse huurmarkt is de overeenkomst opvallend groot. Investeren in de renovatie van bestaande woningen staat bovenaan met 30,1 procent bij Nederlandstaligen en 31,5 procent bij Franstaligen.
Fiscale stimulansen voor private verhuurders volgen met 23,4 en 24,7 procent.
De derde grootste groep in beide landstalen kiest ervoor om vergunningen en bouwregels te versoepelen om meer woningen te creëren (19,5 procent NL tegenover 17,8 procent FR).
De vrije reacties tonen dat respondenten daarbij ook aandacht vragen voor het aanbod aan woningen, vergunningen en de positie van zowel huurders als verhuurders.
Over de financiering van renovaties zijn de antwoorden eveneens vergelijkbaar. Renovatieverplichtingen uitstellen zolang financiering niet gegarandeerd is krijgt 26 procent bij Nederlandstaligen en 28,8 procent bij Franstaligen.
Bij Nederlandstaligen volgen vooral de eigenaar laten betalen (24,7 procent), de mogelijkheid om de huurder via de huurprijs te laten bijdragen (23,9 procent) en een gedeelde kost voor eigenaar en overheid (20,1 procent).
Bij de Franstaligen vindt 26 procent dat eigenaar en overheid de kosten moeten delen. 21,9 procent onder hen vindt dat de eigenaar de kost moet dragen.
Brussel en mobiliteit
De vraag naar automobiliteit levert opnieuw een duidelijke meerderheid voor een gefaseerde aanpak op.
50,8 procent van de Nederlandstalige selecties wil eerst het openbaar vervoer verbeteren en daarna automobiliteit beperken. Bij Franstaligen is dat 42,7 procent.
Tegelijk wil de tweede grootste blok de automobilisten vrij laten kiezen: 32,4 procent bij Nederlandstaligen en 36 procent bij Franstaligen.
De optie om klimaat en leefbaarheid zonder meer te laten primeren krijgt in beide groepen ongeveer 7 procent.
De vrije antwoorden leggen daarnaast nadruk op professionele verplaatsingen, de positie van bedrijven en de kwaliteit van het openbaar vervoer.
Subsidies en cliëntelisme
Over de aanpak van subsidies en mogelijke belangenvermenging is er een van de grootste overeenkomsten uit de hele enquête.
45,6 procent van de Nederlandstalige selecties kiest voor sterkere controle en sancties bij cliëntelisme. 44,1 procent wil objectieve criteria en transparante verdeling.
Bij Franstaligen bedragen die percentages respectievelijk 52,1 en 42,5 procent.
Het merendeel van de vrije antwoorden kiest er dan weer voor om subsidies grotendeels of volledig af te schaffen.
Wat negeert de politiek?
Bij de vraag naar het grootste politieke pijnpunt kiest de grootste groep in beide taalgroepen voor de combinatie van alle voorgestelde problemen: 40,7 procent bij Nederlandstaligen en 46,6 procent bij Franstaligen.
De combinatie van de vier voorgestelde problemen is:
- de combinatie van hoge belastingen + dalende koopkracht
- de onrealistische en te snelle energietransitie
- de impact van migratie en demografie op sociale zekerheid en samenleving
- het gebrek aan vertrouwen tussen de burger en de politiek door een kloof tussen beloftes en realisatie
Daarna komt bij Nederlandstaligen de impact van migratie en demografie op sociale zekerheid en samenleving (24,2 procent), gevolgd door het gebrek aan vertrouwen tussen de burger en de politiek (16,1 procent).
Bij Franstaligen staat het gebrek aan vertrouwen tussen burger en politiek op de tweede plaats (19,2 procent). Migratie en demografie volgt daar met 13,7 procent.
De grootste taalbarrière: de staatsstructuur
De vraag over de toekomstige inrichting van België levert misschien wel het duidelijkste verschil van de volledige enquête op.
Bij Nederlandstaligen is 42,1 procent voor een volledig confederaal model. Nog eens 24,6 procent wil bevoegdheden terugbrengen naar het federale niveau, terwijl 15,8 procent vindt dat Vlaanderen, Wallonië en Brussel zoveel mogelijk hun eigen beleid moeten kunnen voeren.
Bij Franstaligen is het beeld fundamenteel anders. 50,7 procent kiest daar voor méér bevoegdheden op het federale niveau.
Slechts 12,7 procent vindt dat de huidige verdeling kan werken mits betere samenwerking tussen de verschillende bestuursniveaus. 8,5 procent wijst erop dat vooral de financiering moet worden aangepast aan de bevoegdheden.
De vrije antwoorden laten zien dat de discussie niet alleen draait om de klassieke tegenstelling tussen federalisme en confederalisme. Verschillende deelnemers pleiten voor een eenvoudiger bevoegdheidsverdeling waarbij één bestuursniveau volledig verantwoordelijk wordt voor een beleidsdomein. Andere reacties leggen de nadruk op het verminderen van administratieve overlappingen, subsidies en het aantal bestuursniveaus.
Vertrouwen in de politiek: laag aan beide kanten
De slotvraag peilt naar de algemene geloofwaardigheid van de regeringen en politici.
Bij Nederlandstaligen wordt het politieke vertrouwen in 39,7 procent van de selecties als “onbestaand” omschreven. 28,6 procent kiest voor “matig” en 27,2 procent voor “laag”. De categorie “hoog” bedraagt ongeveer 2,1 procent.
Bij Franstaligen ligt “onbestaand” op 41,7 procent, “laag” op 27,8 procent en “matig” op 26,4 procent. “Hoog” komt uit op 4,2 procent.
Een België met meer overeenkomsten dan de politieke retoriek soms suggereert
Over de volledige enquête bekeken, loopt de taalgrens niet overal door dezelfde thema’s.
Bij begrotingsdiscipline, activering, renovatie, controle op subsidies en de aanpak van de administratie zijn de antwoorden vaak opvallend vergelijkbaar. Ook de combinatie van koopkrachtproblemen en externe factoren wordt in beide groepen door een meerderheid van de selecties aangeduid.
De verschillen worden groter bij arbeidsmigratie, energiebeleid, individuele keuzevrijheid, de mate van overheidsingrijpen en vooral de staatsstructuur.
De energiediscussie toont daarbij verschillende accenten rond kernenergie, gas, warmtepompen en keuzevrijheid. De vrije antwoorden voegen daar vooral een praktische dimensie aan toe: betaalbaarheid, renovatiekosten, bevoorradingszekerheid en de vraag hoe snel verplichtingen kunnen worden ingevoerd.
En bij de Belgische staatsstructuur staan twee duidelijk verschillende voorkeuren tegenover elkaar: een aanzienlijk deel van de Nederlandstalige deelnemers kiest voor verdere confederalisering, terwijl de grootste groep Franstalige deelnemers juist meer bevoegdheden op federaal niveau wil.
Tegelijk delen Nederlandstalige en Franstalige deelnemers een aantal zorgen die door de hele enquête heen terugkomen: de kostprijs van de overheid, de betaalbaarheid van energie en wonen, de efficiëntie van administraties, het subsidiebeleid en het verschil tussen politieke beloften en concrete resultaten.
Daarbij is er één vaststelling die over de taalgrens heen loopt: het vertrouwen in de politieke klasse is volgens deze enquête beperkt. Zowel bij Nederlandstaligen als Franstaligen vormen de antwoorden “laag” en “onbestaand” samen veruit het grootste deel van de aangeduide opties.
Methodologie
Aan de enquête namen 779 respondenten deel: 708 Nederlandstaligen en 71 Franstaligen. De resultaten zijn niet representatief voor de Belgische bevolking en weerspiegelen de antwoorden van de deelnemers aan de Business AM-enquête. Bij meerkeuzevragen konden respondenten meerdere opties aanduiden. De percentages zijn daarom berekend op het totale aantal aangekruiste opties per vraag, niet uitsluitend op het aantal respondenten. Vrije antwoorden werden afzonderlijk bekeken en kwalitatief verwerkt; ze zijn niet als afzonderlijke representatieve categorieën in de percentages opgenomen. Door het verschil in omvang tussen de Nederlandstalige en Franstalige groep moeten percentages tussen beide groepen met de nodige voorzichtigheid worden vergeleken.
Volg Business AM ook op Google Nieuws
Wil je toegang tot alle artikelen, geniet tijdelijk van onze promo en abonneer je hier!
KioskNews shows a cleaned-up reading view extracted from the publisher’s page — the original always lives on their site, not ours.